We pakken verdoken kinderarmoede aan!

Statistieken tonen aan dat het aantal gezinnen in armoede jaarlijks toeneemt. Heel wat gemeenten en steden zetten daarom in op de bestrijding van kinderarmoede. Helaas is dit geen evidentie, zeker niet wanneer het ‘verdoken armoede’ betreft. Het stadsbestuur Beringen heeft hierop geanticipeerd door Samenlevingsopbouw RIMO Limburg onder de arm te nemen met volgende onderzoeksopdracht: hoe sporen we verdoken armoede op?

Het antwoord op deze laatste vraag werd aan een breed publiek voorgesteld op dinsdag 22 november 2016. Die dag organiseerden Stad Beringen, OCMW Beringen en Samenlevingsopbouw RIMO Limburg een studiedag voor professionele hulpverleners en beleidmakers. Hulpverleners kwamen te weten dat de gehanteerde methodiek succesvol was. Beleidsmakers konden op hun beurt inspiratie putten uit de 31 beleidsaanbevelingen die werden voorgesteld.

Opsporingskanalen
Katleen Caymax (RIMO) startte haar onderzoek begin 2015 met objectieve gegevens van het steunpunt sociale planning provincie Limburg: ‘aan de hand van cijfers die op een armoederisico konden wijzen, werden buurten gedetecteerd met een veelheid aan problematieken’.
 
Vervolgens werden verschillende instanties en sleutelfiguren bevraagd, hetgeen goede opsporingskanalen bleken te zijn in de zoektocht naar gezinnen in verdoken armoede.
 Met het nodige respect voor privacy — sowieso een voorwaarde — ging het OCMW Beringen na of de gesignaleerde gezinnen al in een hulpverleningstraject zaten. 73% van de 108 gezinnen bleek niet gekend te zijn.

Huisbezoeken
Het afleggen van een huisbezoek bij deze gezinnen was de volgende stap. Aan de hand van de omgevingsanalyse kregen we zicht op meerdere gezinnen die in verdoken armoede leven. Hen kunnen benaderen op een respectvolle en tegelijkertijd niet-confronterende manier was echter een andere uitdaging laat Lieselotte Thoné weten, stedelijk coördinator armoedebestrijding. 
 De zoektocht naar een bruikbaar gespreksinstrument leidde tot de ontwikkeling van het ‘voordelenboekje voor gezinnen met kinderen’. Hierin staat allerhande informatie over onderwijs, huisvesting, opvoeding, vervoer en voeding. Maar ook vele voordelen waar gezinnen recht op hebben gaande van vrije tijd, gezondheid, energie, kinderopvang en andere financiële tegemoetkomingen. 
In totaal werden er bij 57 gezinnen huisbezoeken afgelegd door opbouwwerker Katleen Caymax. Van de gezinnen die niet bereikt werden bleek een deel verhuisd te zijn, het merendeel gaf echter niet thuis ondanks meerdere pogingen. Slechts één gezin weigerde het gesprek.

Drempels in kaart brengen

De hoofdopdracht van het onderzoek was het blootleggen van drempels: waarom zetten gezinnen de stap niet naar hulpverlening? 
 De afgelegde huisbezoeken hadden een dubbel doel. Enerzijds het bestaande aanbod kenbaar maken naar deze ‘nieuw gedetecteerde gezinnen’ en warm doorverwijzen waar nodig. Anderzijds aan de hand van een bevraging te weten komen wat hen weerhield om hulp te zoeken. Het onderzoek lijstte volgende drempels op:

- Niet weten waar men recht op heeft komt het vaakst naar voren. Informatie of voordelen wordt niet op maat van de meest kwetsbaren geschreven. Een groot aantal gezinnen vindt simpelweg niet de weg in het complexe landschap van hulp- en dienstverlening

- De vrees voor een financieel onderzoek wanneer je de stap richting OCMW zet: te confronterend en de angst niet zelf meer je inkomen te kunnen beheren

- Trots en schaamte. Het feit dat je toegeeft het niet alleen aan te kunnen, dit als onrechtstreeks gevolg van de prestatiegerichte maatschappij

- Negatieve ervaringen uit het verleden

Beleidsaanbevelingen

Op basis van de bevraging bij kwetsbare gezinnen werden er in totaal 31 beleidsaanbevelingen geformuleerd voor stad en OCMW. Het zijn vaststellingen, signalen, besproken en ondervonden items van de gezinnen zelf. 
 Voor schepen Thomas Vints is het afgeleverde werkstuk een duidelijke leidraad om armoede — en in bijzonder kinderarmoede — aan te pakken. ‘Maar wanneer we structureel armoede willen aanpakken is het noodzakelijk dat we een lokaal sociaal beleid voeren dat inzet op drie niveaus:

1. Inzetten op preventie, op het voorkomen van armoede: een beleid dat gericht is op kansen en rechten

2. Voorkomen dat armoede zich herhaalt (generatiearmoede)

3. Opvangen van gevolgen van armoede, inspelen op de acute noden. ‘

aldus schepen Thomas Vints

Het rapport maakt ook duidelijk dat het lokale bestuursniveau best de regierol in de strijd tegen (kinder)armoede voor haar rekening neemt: ‘de stad is het best geplaatst het armoedebeleid te regisseren in partnerschap en dat op basis van lokale en bovenlokale netwerking’.

Beringen maakt gebruik van KIA-cheques (Kom In Actie) die tot doel hebben de participatie te vergroten van alle Beringense kinderen en in het bijzonder de maatschappelijk kwetsbare. In praktijk stellen we echter vast dat net de meest kwetsbare gezinnen deze cheques niet aanvragen en niet weten waarvoor ze gebruikt kunnen worden. Momenteel bekijken we op welke manier we de rechten kunnen automatiseren en het aanbod gerichter bekend gemaakt ka worden.

Daarnaast is het van belang om de cijfergegevens die aan de basis lagen van dit onderzoek na enkele jaren opnieuw te verzamelen.

Nabeschouwing onderzoek

Emeritus professor sociologie Jan Vranken van de Universiteit Antwerpen werd voor de studiedag gevraagd kritisch te reflecteren op het onderzoek. In zijn besluit noemde hij dit onderzoek en de geleverde inspanningen ‘een initiatief dat als goede en zelfs beste praktijk mag worden uitgerold naar de rest van Vlaanderen’. Hij prees de manier waarop er in het onderzoek wordt gefocust op de noodzaak van een structureel en breed gedragen beleid rond armoedebestrijding.

 

Jan Vranken: ‘Ik vind dat het rapport ‘Verdoken armoede in beringen’ een bijzonder volledige lijst van beleidsaanbevelingen opsomt. Het houdt rekening met de specifieke lokale bevoegdheden en de noodzaak om ze in te passen in het multilevel governancemodel. Het stedelijk armoedebeleid kan immers niet op zichzelf staan. Het moet de hogere regionen aanspreken op hun verantwoordelijkheid.’

1-AyCbAKLeJih4J6RKwys6Yw.png